De ‘WAO-crisis’ van 1991 zorgde voor grote verdeeldheid binnen de PvdA. Partijleider Wim Kok schaarde met veel moeite een verdeelde partij achter een beperking van de WAO. Met het besluit wilde de PvdA de verzorgingsstaat bestendig maken voor de toekomst.
Het aantal mensen dat een beroep deed op de WAO was in de jaren tachtig aanzienlijk gestegen. Met meer dan 900.000 arbeidsongeschikten kreeg de WAO een onbeheersbare omvang. In juli 1991 kondigde het kabinet-Lubbers III (CDA/PvdA) aan dat er flink gesneden zou worden in de hoogte en duur van de WAO. De plannen bevatten ook scherpere toelatingseisen en een toenemende druk om een baan te accepteren. De PvdA-ministers stemden in met de beperking van de WAO.
De maatregelen stuitten in en buiten de PvdA op heftig verzet. De vakbonden brachten bijna een miljoen demonstranten op de been. De PvdA raakte verscheurd tussen behoudende sociaal-democraten en hervormers. In het hele land kwamen gewesten en afdelingen in opstand. Sommigen vonden dat de PvdA uit het kabinet moest stappen of dreigden hun lidmaatschap op te zeggen. De positie van partijleider en vice-premier Wim Kok stond zwaar onder druk. Partijvoorzitter Marjanne Sint trad als gevolg van de kritiek af.
Kok wist de scherpste kantjes van het kabinetsbesluit af te halen. De partijleden konden zich op 28 september 1991, op een speciaal congres, uitspreken. Door zijn eigen positie aan het plan te verbinden wist Kok de partij achter de WAO-herziening te scharen. Ruim 80% stemde in met de maatregelen. In zijn toespraak wees Kok op de noodzaak van de hervorming van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving.
Het rapport Niemand aan de kant (januari 1992) van de commissie Wolfson was een sociaal-democratisch antwoord op de toekomst van de verzorgingsstaat. Het rapport pleitte voor een hoge arbeidsmarktparticipatie en een activerende verzorgingsstaat. ‘De nadruk op participatie betekent niet dat iedereen onverbiddelijk moet werken, maar wel dat we een beroep mogen doen op wie kan, om aan de verbreding van de basis van de verzorgingsstaat mee te werken.’ Wederkerigheid – het koppelen van plichten aan rechten – werd steeds belangrijker.
Het doel dat de PvdA met de WAO-herziening en de daaruit voortvloeiende programmatische verankering voor ogen stond, was het bestendig maken van de verzorgingsstaat voor de toekomst. Critici vonden echter dat de geloofwaardigheid van de partij op het vlak van sociale thema’s was aangetast. Het besluit leidde tot een vertrouwensbreuk met het FNV, die pas aan het einde van de kabinetsperiode zou helen.
Mede door de WAO-crisis verloor de PvdA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 maar liefst 12 zetels. De SP, die in 1991 de marxistisch-leninistische ideologie had verruild voor socialistische uitgangspunten, kwam met 2 zetels voor het eerst in de Tweede Kamer. De tegenpartij (‘Stem tegen, stem SP’) trok teleurgestelde PvdA-kiezers en groeide in de strijd om de ‘rode’ kiezer uit tot een geduchte concurrent.
Auteur: Martin Schutrups
Verder lezen:
Niemand aan de kant. Rapport van de commissie-Wolfson (Amsterdam 1992).
Peter Rehwinkel en Jan Nekkers, Regerenderwijs. De PvdA in het kabinet-Lubbers/Kok (Amsterdam 1994).